From pixel to perfection: Europa’s grootste Apple Museum bevindt zich in Utrecht
Op 1 april vond in The Wall in Utrecht de officiële opening plaats van het Apple Museum, exact vijftig jaar na de oprichting van Apple. Op tweeduizend vierkante meter en onder de noemer “From pixel to perfection” worden de belangrijkste producten en ontwikkelingen van het bedrijf getoond: van de Apple I en de Macintosh tot de doorbraak van desktop publishing (dtp) en natuurlijk de digitale entertainmentrevolutie van deze eeuw.
Initiatiefnemer Ed Bindels, tevens eigenaar van de winkelketen en Apple-reseller Amac, heeft in zijn loopbaan altijd met Apple-producten te maken gehad. Hij enthousiasmeerde zijn omgeving en bracht een team samen om, met meer dan vijftig vrijwilligers, de reis te maken die leidde tot dit nieuwe museum. Het resultaat is een goede afspiegeling van alle ontwikkelingen die Apple heeft gekend. In dit artikel is er speciale aandacht voor de dtp-revolutie, die in de vorige eeuw mede door Apple werd ontketend, en die in het museum duidelijk wordt belicht; een revolutie die de grafische sector ingrijpend veranderde.

De vroege jaren
Voor ontwerpers en grafici was de komst van de Apple Macintosh de reden om kennis te maken met het merk, maar de historie begint eerder. De eerste Apple-computer, toepasselijk Apple I geheten, verscheen al in 1976. Het was eigenlijk meer een bouwpakket dan een computer en werd door een zeer beperkte groep elektronica-hobbyisten en zelfbouwers gekocht. Zij moesten bovendien zelf programmeren om zinnige dingen met hun apparaat te kunnen doen.
Met de Apple II, die het jaar daarop werd uitgebracht, sloeg het bedrijf een andere weg in. Dit keer werd een volledig geassembleerde pc geleverd. Aanvankelijk moest men ook hier nog zelf programmeren; na een jaar kwam Apple DOS uit en nog later ProDOS. De Apple II heeft verschillende uitvoeringen gekend en werd nog tot 1993 verkocht, lang nadat de Macintosh zijn intrede deed. Het waren de aanhoudende verkoopsuccessen van de Apple II die de ontwikkeling van de Apple Lisa en de Macintosh mogelijk maakten. Ook deze geschiedenis wordt verteld in het museum.
Drie oprichters
Het verhaal van Apple is onlosmakelijk verbonden met Steve Jobs en Steve Wozniak. Dat Jobs vormgeving en typografie cruciaal vond, zien we terug in de producten in het museum. Er was destijds een derde oprichter, Ronald Wayne; zijn bijdrage bleef beperkt en hij vertrok al snel. Waar Steve Jobs de naam Apple aan het bedrijf gaf, was het Wayne die het allereerste logo ontwierp.

De revolutie van de GUI
Het was niet Apple, maar Xerox dat al vroeg experimenteerde met een grafische user interface (GUI). In 1979 kreeg Steve Jobs tijdens een bezoek aan Xerox PARC een experimentele GUI te zien, met vensters, icoontjes en menu’s die je kon besturen met een muis. Dat idee nam hij mee, waarna het eigen ontwikkelwerk begon. Het eerste product waarin de GUI een hoofdrol speelde, was de Lisa: achteraf te betitelen als een zeer dure flop, die Apple rond vijftig miljoen dollar kostte.
Jobs maakte aanvankelijk deel uit van het Lisa-team. Omdat hij zo dwingend was, werd hij in 1982 van het project afgehaald. Hij stapte vervolgens over naar het Macintosh-project (dat zich oorspronkelijk richtte op een goedkope tekstcomputer) en dwong dat team om ook een grafische interface te gebruiken, maar dan sneller en goedkoper. In 1984 kwam de eerste Apple Macintosh op de markt. Die verkocht, dankzij een sterke reclamecampagne, aanvankelijk goed, maar de verkopen zakten snel in.
De eerste Mac was karig bedeeld met geheugen en opslag, met 128 KB RAM en een enkele 3,5 inch floppydiskdrive waarop toen nog maar 400 KB paste. Nog in datzelfde jaar kwam er een versie met 512 KB RAM, die ook wel de “Fat Mac” werd genoemd. In 1986 kwam de opvolger, de Macintosh Plus, die in dezelfde behuizing werd ondergebracht omdat daar nog grote voorraden van resteerden.

PostScript en dtp
Tot het moment dat Apple in 1985 de Apple LaserWriter introduceerde, bleven de verkopen van beide oer-Macs sterk achter. De LaserWriter was uitgerust met de door Adobe ontwikkelde paginabeschrijvingstaal PostScript en werkte met in vectoren beschreven PostScript-fonts. Het was vervolgens het Amerikaanse softwarebedrijf Aldus dat het opmaakprogramma PageMaker ontwikkelde, waarmee ook het begrip desktop publishing (dtp) zijn intrede deed.
Adobe was ook schatplichtig aan Linotype, met wie het een licentieovereenkomst aanging voor het gebruik van lettertypes uit hun bibliotheek. Het werd een wederzijdse overeenkomst: Linotype kreeg op zijn beurt de licentie voor het gebruik van PostScript in combinatie met hun fotobelichters. Het zou een ijzersterke combinatie blijken.
Ontwerpers als nieuwe doelgroep
Met dtp-software en de LaserWriter had Apple een nieuwe doelgroep ontdekt: ontwerpers. Het waren deels ontwerpers met een wat anarchistische aanleg, die weinig op hadden met de formele manier van werken die de grafische sector toen nog in zijn greep hield.
Met de Macintosh - in het spraakgebruik direct “Mac” genoemd - kwam een eind aan de dominantie van de grafische bedrijven waar het ging om (foto)zetten en later lithografie. Iedereen kon nu vormgever, uitgever of zelfs drukker worden, met niet meer dan een Apple Mac met de Apple LaserWriter en PageMaker. Dat was genoeg om te beginnen. Er kwamen in korte tijd ook tijdschriften op de markt die rechtstreeks uit de Apple LaserWriter afkomstig waren, met een nietje om de losse vellen te verzamelen. Er moet wel dag en nacht doorgeprint zijn om een enigszins interessante oplage te halen. Doordat er ook hoge-resolutie fotozetsel kon worden geproduceerd, werd de route naar meer professioneel drukwerk snel gevonden.
Scepsis in de grafische sector
Aanvankelijk stonden veel grafici sceptisch tegenover deze ontwikkelingen. Hun traditionele, met het aureool van vakmanschap omgeven aanpak leverde een betere kwaliteit op, vonden ze (niet altijd onterecht overigens). Klanten dachten daar echter heel anders over. Bedrijven die zich lang op het standpunt stelden dat dtp niet de moeite waard was om aandacht aan te besteden, zagen hun klanten naar elders vertrekken. Als het traditionele zetsysteem werd ingewisseld voor de dtp-aanpak, verdween daarmee de sterk hiërarchische aanpak met werkverdelers en voormannen, voor wie geen rol meer was. Dtp’ers moesten over veel meer zaken zelf kunnen beslissen, wilde hun inzet effectief zijn. De anarchie van buiten kwam daarmee ook het grafisch bedrijf binnen.

De dtp-revolutie voltooid
Voor desktopscanners die grafisch inzetbaar waren, moesten we nog even wachten. Toen de Agfa Focus uitkwam - aangesloten via de SCSI-poort die vanaf de Macintosh Plus standaard was - konden zwart-witfoto’s en lijntekeningen direct in het ontwerp worden verwerkt. Niet lang daarna verschenen er desktopscanners die kleur konden scannen.
De fusie van Linotype, dat groot was in letterzetten en een enorme fontbibliotheek beheerde, en Hell, dat marktleider was in beeldtechnologie, zorgde in 1990 voor veel ophef. Deze fusie leidde in de jaren daarna tot de Linotype-Hell Topaz, een vlakbed-scanner die in 1993/1994 high-end lithografie naar de Mac bracht. Ook dat kun je in het Apple Museum terugzien.
Toen Scitex zich in 1997 met een high-end scanner, de Scitex EverSmart, rechtstreeks op het Mac-platform richtte, terwijl Apple steeds krachtiger Macs uitbracht, werden kleurenscans ook buiten de lithografiepraktijk snel en betaalbaar te verwerken. Daarmee was de dtp-revolutie voltooid.

Pioniers in Nederland
In Nederland waren bedrijven als Tetterode, dat Linotype vertegenwoordigde, en MacVonk pioniers in de introductie van dtp. Bij Tetterode trok Henk Gianotten lang de kar. Op de middag van de opening van het Apple Museum ging Henk Gianotten - die binnen de grafische markt destijds “Mr. PostScript” werd genoemd - tijdens een speech in op de betekenis van de introductie van PostScript. Hij besprak het ontstaan van desktop publishing en de gevolgen daarvan voor de grafische sector; vormgevers zouden zelf het voortouw gaan nemen bij de opmaak.
Piet Vonk was oprichter en eigenaar van MacVonk; daar werkte destijds ook Ed Bindels. In Zeist was het eveneens door Piet Vonk geleide familiebedrijf Drukkerij Vonk de buurman van de eerste Nederlandse vestiging van Apple. Hij zag meteen mogelijkheden om de Mac in de drukkerij toe te passen en startte met de opgedane ervaring vervolgens met MacVonk. Hij trok de distributie van onder andere de Adobe-fonts naar zich toe en bracht meer software op de markt. Ook leverde hij complete systemen aan vormgevers en drukkers en startte hij met de uitdraaiservice voor vormgevers die daar hun ontwerp op papier of film konden belichten.
Erfgoed in het museum
In het Apple Museum is een eigen plek ingeruimd voor de bijdrage die Apple heeft geleverd aan de omwenteling van de grafische markt. Zo vinden we hier de eerste Linotype Linotronic-fotozetter terug, evenals de Apple Macintosh en de Apple LaserWriter waar het destijds allemaal mee begon.
Dit Apple Museum is niet het eerste museum in Nederland waar de geschiedenis van Apple aan bod komt. Bij de inrichting van deze nieuwe locatie is samengewerkt met de oprichters van het voorgaande museum in Westerbork, waarbij de nodige hardware is overgedragen. Door de nieuwe, veel grootsere opzet en aanpak kan meer recht worden gedaan aan het verhaal achter de objecten.
Het team dat bij dit nieuwe museum betrokken is, heeft waar nodig aanvullingen aangedragen. Het is niet langer een simpele bundeling van spullen; er is veel werk gemaakt van het vertellen van het verhaal. Kenmerkend is dat minder dan tien procent van de totale apparatuur uit de collectie daadwerkelijk een plekje op de toch heel ruim bemeten vloer heeft gekregen. Waar mogelijk is er ook werkende apparatuur te zien.
Apple als lifestyle
Er is ook ruimte voor de minder bekende projecten, zoals de Newton PDA, en er is veel aandacht voor de spectaculaire comeback van Steve Jobs met de kleurrijke iMac G3. Daarmee werd de stap gemaakt van gereedschap voor de creatieve professional naar een lifestyle-product voor iedereen.
Een andere belangrijke stap is die van de digitale entertainmentrevolutie aan het begin van deze eeuw. Hier zie je hoe de introductie van iTunes de spil werd van het Apple-ecosysteem; het vormde de brug tussen de computer en de muziekwereld. Deze software legde de basis voor de draagbare muziekspeler iPod, waarvan alle modellen te zien zijn. De expositie toont ook de evolutie van de iPhone en iPad, en besteedt aandacht aan de opkomst van wearables, zoals de Apple Watch en de AirPods.
Een groots museum
De manier waarop de tentoonstelling is opgezet, is een goed voorbeeld van hoe print, tekst en voorwerpen tot een expositie worden verweven om een verhaal te vertellen. De tweetalige uitleg in het museum duidt op internationale aspiraties. Wat Bindels betreft is dit dan ook hét Apple Museum.
Jarenlang is met veel passie en energie naar de opening toegewerkt. Al in de aanloop kreeg het initiatief internationale belangstelling. Het is bij de opening het grootste Apple-museum van Europa; nergens anders wordt het verhaal van Apple zo compleet in beeld gebracht. Ook in de internationale pers kreeg de opening veel aandacht.

De cruciale rol van Aldus in de dtp-revolutie
Apple en Adobe worden in de beeldvorming vaak gezien als de drijvende krachten achter desktop publishing (dtp). De rol van Aldus Corporation, opgericht door Paul Brainerd, krijgt daarbij doorgaans minder aandacht. Terwijl de Macintosh door Apple werd ontworpen als grafisch georiënteerde computer met sterke WYSIWYG-interactie (what you see is what you get), zag Brainerd het platform al vroeg als basis voor desktop publishing.
Die visie, gecombineerd met zijn kennis van grafische workflows, leidde tot Aldus PageMaker: een van de eerste breed ingezette dtp-programma’s. Het sloot aan op de traditionele paste-uppraktijk, waarin pagina’s werden opgebouwd uit losse tekst- en beeldelementen. PageMaker vertaalde dit naar een digitale omgeving met vrije plaatsing van objecten op een pagina volgens WYSIWYG-principes. Daarmee werd de computer een digitale opmaaktafel.
Brainerd begon als journalist en werkte bij Atex, leverancier van redactionele systemen voor kranten. Na een herstructurering richtte hij in 1984 met voormalige collega’s Aldus Corporation op, dat snel uitgroeide tot een belangrijke speler in dtp. In de jaren negentig groeide de concurrentie, vooral door QuarkX-Press, dat dominant werd in de professionele prepress. In 1994 werd Aldus overgenomen door Adobe, dat daarmee PageMaker en bijbehorende technologie in handen kreeg.
In de jaren daarna verschoof Adobe de focus naar een nieuwe generatie opmaaksoftware. Dit leidde tot Adobe InDesign, ontwikkeld als moderne opvolger binnen het dtp-segment. InDesign werd opnieuw opgebouwd voor efficiëntere prepress- en digitale workflows en groeide uit tot de dominante standaard.
Brainerd trok zich na de overname terug uit de software-industrie en richtte zich op filantropie en natuurbehoud.Paul Brainerd overleed op 15 februari 2026 op 78-jarige leeftijd.
Het Apple Museum bezoeken?
Het Apple Museum is te vinden aan de Proostwetering 5d in Utrecht (in winkelcentrum The Wall). Zie ook: www.applemuseum.nl
Tekst: Herman Hartman. Foto boven: Een blikvanger in het Apple Museum: de Macintosh computers met polycarbonaat behuizingen. Ze weken met hun speelse kleuren en afgeronde vormen radicaal af van de zakelijke, beige computertaal van de jaren tachtig. Daarmee introduceerde Apple een toegankelijker en menselijker beeld van de personal computer.
Dit artikel verscheen eerder in PRINTmatters magazine. Wil je de laatste editie van PRINTmatters magazine thuis ontvangen? Neem een proefabonnement en kies voor nalevering.